Biologie van gewassen - niveau 3/4

 

1. Opdracht: Bloemen en bestuiving

Weet je het nog, van de bloemetjes en de bijtjes: Bij bestuiving van een bloem komen stuifmeelkorrels op de stempel van de stamper terecht en kunnen daar via de stijl naar de eicel groeien en versmelten. Dan is de bloem bevrucht en kan het vruchtbeginsel uitgroeien tot zaden (nakomelingen) en vruchten (bijvoorbeeld tomaten of appels).

In de lucht zitten zeer veel verschillende stuifmeelkorrels maar alleen een specifieke combinatie van stuifmeelkorrel en stempel geeft bevruchting.

 

Een bloem, die òf stampers òf meeldraden (maar niet beide) heeft, is een éénslachtige bloem. Een bloem met alleen één of meer stampers is een vrouwelijke bloem; een bloem met alleen meeldraden is een mannelijke bloem.

Een tweeslachtige bloem heeft zowel stampers als meeldraden.

 

Klik op het plaatje hiernaast. Je krijgt nu een detail van een bloem te zien. Sleep de onderdelen naar de juiste plek van de bloem.

Als alles goed is geef je in het plaatje op je antwoordvel de juiste namen aan.

Weet je niet meer hoe het zit, kijk dan op Wikipedia, opbouw van een bloem.

Is de bloem op het plaatje uit de opdracht eenslachtig of tweeslachtig?

 

 

Het gekleurde blad van de bloem heet kroonblad. Bloemen kunnen enkelbloemig, halfgevuld en gevuld zijn. Als er twee kransen van kroonbladen zijn, heet dat halfgevuld. Zijn er meer dan twee kransen van bloembladen dan heet dat gevuldbloemig.

Geef van onderstaande 4 bloemen aan of ze enkelbloemig, halfgevuld of gevuldbloemig zijn.

 

A. B.
C. D.

 

Zoek op: Wat is het verschil tussen zelfbestuiving en kruisbestuiving?

 

2. Opdracht: Groei van bollen

Celgroei
Een plant groeit, dus wordt groter en breder, door twee verschillende mechanismen:

 

De stengel van tulpen groeit wel enkele centimeters per dag. De tulp groeit in lengte op het veld maar ook als ze in de vaas staat. Tijdens de groei strekken cellen in de stengel zich doordat ze zich volzuigen met water. In het donker strekken tulpen zich meer dan in het licht. Ze groeien 's nachts dus harder.
Tulpen en krokussen openen hun bloem als gevolg van celstrekking. Ze reageren vooral op verandering van temperatuur. Het kroonblad van de bloem bestaat uit meerdere lagen cellen. Als de temperatuur stijgt nemen de cellen aan de binnenkant van het kroonblad extra water op en strekken zich. Daardoor buigt het kroonblad naar buiten: de bloem gaat open. Als de temperatuur aan het eind van de dag lager wordt sluit de bloem weer.

Doe een proefje met de groei van tulpen:

 

Zet 3 dezelfde tulpen met dezelfde lengte in vaasjes water. Zet 1 tulp in een warme en lichte kamer, 1 op een donkere plek en 1 op een koele plek (bijvoorbeeld kelder of koelkast). Meet elke dag de lengte van de onderkant van de bloem tot het einde van de steel. Schets ook hoe de bloem er uit ziet (of fotografeer deze).

Maak na 1 week een verslag met daarin:

  • je meetresultaten uitgezet in een grafiek
  • uitleg in je eigen woorden wat de invloed is van temperatuur en licht op de celstrekking
  • plak de schetsen of foto's erbij

 

 

Groeihormonen
Groei door celstrekking gaat veel sneller dan celdeling. De groei van planten wordt beinvloed door auxinen, ofwel groeihormonen. Deze hormonen hebben invloed op de celstrekking van cellen. De hormonenconcentratie in een plant is afhankelijk van licht. Door dit verschijnsel gaat een plant naar licht toe groeien, dit heet fototropie. Door snelle celstrekking wordt de stengel wel slapper.

De cellen die kunnen delen en zo voor groei zorgen, heten meristemen. Meristemen zitten bij bollen in de toppen van de wortel en de stengel. Een bol groeit alleen in de lengte en maakt geen zijtakken.

 

De bollen- en bolbloementeler beïnvloedt de ontwikkeling van de bol en de bloem voornamelijk door middel van temperatuurbehandelingen tijdens de bewaarfase van de bloembollen. De bol neemt die temperatuurveranderingen waar en vertaalt die prikkels in inwendige veranderingen in de hormoonhuishouding, die op hun beurt weer leiden tot vroegere of latere bloei, langere of kortere bloemen, de aanleg van meer of minder dochterbollen enzovoort.

Lees het artikel 'WUR bekijkt link hormoon bloembol en bloemkwaliteit'. Waarom is dit onderzoek voor bollentelers nuttig?

 

 

De bouw van de cel

Lees bij Plantaardige cel uit welke delen een plantencel is opgebouwd.

Bekijk ook de animatie op de site van Bioplek.

Klik nu op het plaatje rechts en benoem de delen. Neem het juiste antwoord over op je antwoordvel.

 

 

 

3. Opdracht: Bol of knol

 

De opbouw van een bol

Een bol bestaat uit een

  • bolschijf, het verdikte deel van de stengel.
  • rokken of schubben, de verdikte bladeren die aan de bolschijf vast zitten. Hierin zit een grote hoeveelheid reservevoedsel opgeslagen zodat de plant in het voorjaar snel uit kan groeien. We noemen het rokken als ze elkaar geheel omsluiten, en schubben als ze elkaar gedeeltelijk omsluiten.
  • buitenste rok, die een dun bruin vlies vormt dat de bol beschermt tegen uitdrogen en tegen aantasting door schimmels.
  • zijknoppen of klisters. In de oksels van de rokken komen zijknoppen die zich in het voorjaar kunnen ontwikkelen tot nieuwe bollen. Die kleine bolletjes worden klisters genoemd.

Bekijk nu de twee afbeeldingen rechts. Je ziet een schematische tekening van een bol in het vroege voorjaar (A) en tijdens de bloei (B) (bron Wikipedia).

Benoem de onderdelen 1 t/m 6 op je antwoordenformulier.

 


Bol of knol?

Bollen of knollen lijken veel op elkaar. Het verschil tussen bollen en knollen is dat het reservevoedsel bij bollen opgeslagen wordt in de ondergrondse bladeren (de vlezige rokken of schubben) en bij knollen in de vlezige wortel (wortelknollen) of de stengel (stengelknollen). Knollen hebben geen rokken of schubben en zijn massief van binnen. Ze zijn meestal minder winterhard (bestand tegen vorst) dan bollen. Het onderscheid tussen wortelknollen en stengelknollen is niet zo eenvoudig, maar wortelknollen hebben geen knoppen en stengelknollen wel.

 

 

tulpA.  krokusB.  dahliaC.  gladioolD.

Geef aan voor bovenstaande 'bollen': is het een bol, wortelknol of stengelknol.

Denk je dat je de bovenstaande bollen/knollen kan benoemen naar plantennaam? Zet de namen op je antwoordvel.

 

Mocht je niet uit bovenstaande vragen kunnen komen, zie voor meer informatie de website Bol (biologie) op Wikipedia.

 

4. Opdracht: Morfologie

Bij bolbloemen is de morfologie van de plant erg belangrijk voor de sierwaarde. De vorm van een plant wordt beïnvloed door de genetische samenstelling en door het milieu (de omgeving). Het fenotype is dat wat we zien, het uiterlijk van de plant. Dat uiterlijk is het gevolg van de wisselwerking tussen genotype ( de erfelijke eigenschappen) en het milieu. Eigenschappen afhankelijk van het genotype zijn bijvoorbeeld dubbelbloemigheid, bloemkleur, etc.. Milieu-invloeden zijn bijvoorbeeld een gele bladkleur door stikstofgebrek, vorstschade enz. Het milieu van een plant tijdens de teelt kun je vrij precies sturen en daarmee kun je het fenotype, het uiterlijk van de plant voor een deel beïnvloeden.

Een tulp kun je vermeerderen door klisters van de hoofdbol te pellen. Heeft de nieuwe plant hetzelfde genotype als de moederplant?

Stel: je vermeerderd een tulp vanuit zaad. Heeft de nieuwe plant hetzelfde genotype als de moederplant?

 

Lees de pagina veredeling en kruisen op de website van de firma Ligthart Bloembollen. Doormiddel van veredeling kan een teler zorgen voor planten die ziekteresistent zijn, voor nieuwe kleurencombinaties, andere vormen, betere houdbaarheid, beter bestand tegen machinale verwerking, snelle verwerking in de broeierij en een betere groeicapaciteit.

Zijn de bovenstaande eigenschappen genotypische en/of fenotypische eigenschappen? Schrijf het antwoord op.

Leg uit wat een teler kan doen om de kleur van tulpen te beïnvloeden.

 

 

 

 

5. Opdracht: Weefselkweek

Weefselkweek is een vermeerderingsmethode voor planten die ingezet kan worden als andere vermeerderingsmethoden niet het gewenste resultaat geven. Bekijk de rondleiding op de site Weefselkweek.nl en beantwoord de volgende vragen.

Zijn planten die door weefselkweek zijn vermeerderd alle genetisch gelijk aan elkaar?

Een veel gebruikte vorm van weefselkweek is Meristeemcultuur. Beschrijf hoe dit werkt.

Het vermeerderen van bollen gebeurt normaal gesproken in de schuur, maar weefselkweek wordt uitgevoerd in een steriele omgeving, door laboratoriummedewerkers in kasten waar de lucht wordt gezuiverd. Waarom is steriel werken bij weefselkweek zo belangrijk?

 

Lees het artikel over de beschrijving het hyacintenmozaïekvirus en mogelijkheden tot voorkomen ervan.

Leg uit hoe weefselkweek kan helpen in het virusvrij maken van cultivars.

 

Lees nu ook het artikel Virustoetsing en virusdiagnostiek door de Bloembollenkeuringsdienst. In het verleden zijn pogingen ondernomen om de gewassen Iris en Gladiool virusvrij te maken door middel van meristeemcultuur.

Leg uit waarom deze ontwikkeling zich niet heeft doorgezet.

 

Bekijk het volgende filmpje van narcissenteler en -veredelaar Jaap Leenen. Hij geeft in de film een uitleg over resistentie.

Wat is de toekomst van veredeling volgens Leenen?

Op welke manier zouden bollen in de toekomst virusvrij kunnen worden gemaakt volgens Leenen?

 

 

6. Opdracht: Fotosynthese en assimilatie

Met behulp van energie uit licht kan een plant uit CO2 en water suikers aanmaken. Die suikers (glucose) worden assimilaten genoemd. Het proces van de omzetting van CO2 en water naar suikers heet de (koolstof)assimilatie. De CO2 is afkomstig uit de lucht, het water uit de bodem. De energie die nodig is voor de vorming van glucose uit CO2 en water komt uit licht, en hele proces wordt fotosynthese genoemd.

Waarom is het zo belangrijk om iets te weten over fotosynthese? Omdat dat samenhangt met de reactie van de plant op licht, CO2 en water. En op die factoren kan een teler zijn teelt sturen en zo indirect de groei en productie van de plant beïnvloeden.

 

Invloed van licht op de fotosynthese

De fotosynthese vindt plaats in de bladgroenkorrels (=chloroplasten) in de bladeren, bij aanwezigheid van licht.

Op de site van Bioplek vindt je animaties over de fotosynthese. Bekijk eerst het proces in het bladgroen en dan het hele fotosynthesemodel. Dit laatste is best complex, neem er even tijd voor.

Mensen halen bijvoorbeeld groene planten in huis omdat ze zuurstof afgeven. Waar haalt de plant die zuurstof vandaan?

 

Bloembollen in rust

De belangrijkste eis voor bloembollen in de periode na de bloei is om de planten met rust te laten zodat de voedingsstoffen en blad en stengel gebruikt kan worden voor de groei van de nieuwe bol.

Leg uit wat fotosynthese daar mee te maken heeft.

 

Meer informatie over energie opname bij bollen is te vinden op www.tuinen.nl

 

Dissimilatie

Het tegenovergestelde van fotosynthese of assimilatie is dissimiliatie.

Zoek op internet op en leg uit wat de functie van dissimilatie is.

 

 

 

 

 

7. Opdracht: Groeifactoren bij bolbloemen

 

Groeifactoren zijn factoren die de groei van planten kunnen beïnvloeden.

Zoek op het internet zoveel mogelijk groeifactoren van een plant. Schrijf deze op je antwoordvel.

 

Bij veel gewassen kun je door te variëren in groeifactoren de vorm en het tijdstip van bloeien van de plant beïnvloeden. Twee voorbeelden:

Noteer welke groeifactoren worden beïnvloed in bovenstaande twee voorbeelden, en wat het effect is op de groeiwijze en vorm van de plant.

 

Meer informatie over de diverse groeifactoren bij bollen en knollen is te vinden via het volgende artikel of via de website van museum de Zwarte tulp.

 

In de bollenteelt komt het woord 'forceren' veelvuldig voor in diverse vakbladartikelen.

Leg in je eigen woorden uit wat het forceren van bollen inhoudt.

 

Eventueel kun je meer informatie vinden over het forceren van bollen via de website van Neerlands tuin.

 

Bekijk op de website van het Internationaal Bloembollen Centrum (IBC) de pagina over teelttechnieken. Op deze site kun je teeltbeschrijvingen vinden van bolgewassen. Let op, de beschrijvingen zijn Engelstalig.

Zoek van de onderstaande gewassen op wat tijdens de teeltperiode in de kas de temperatuur, R.V, hoeveelheid licht en de teeltduur binnen is.

 

  • Sierui
  • Krokus
  • Iris
  • Tulp

 

 

8. Opdracht: Vocht en turgor

Een plant maakt eerst nieuwe cellen aan. Deze worden vervolgens "opgepompt" met water. De druk van het water op de celwand wordt ook wel turgor genoemd. De hoeveelheid water die in de cel komt hangt af van de hoeveelheid water die beschikbaar is, de EC (zoutgehalte) van dit water en van de hoeveelheid water die op dat moment voor transpiratie nodig is.

Op warme dagen is te zien dat het drooggewicht van de plant overdag toeneemt. Het versgewicht blijft gelijk of daalt zelfs iets. Als er veel vocht voor transpiratie nodig is kan dit namelijk aan de plantcellen onttrokken worden. Hierdoor kunnen de planten zelfs slap gaan hangen. 's Nachts neemt het drooggewicht door ademhaling weer iets af, terwijl het versgewicht in de nacht toeneemt. Dit komt omdat er 's nachts geen of nauwelijks transpiratie is, waardoor de plant op celspanning kan komen. De cellen vullen zich verder met water dan overdag haalbaar is.

Vul de woorden hoog of laag in:

Bij lage luchtvochtigheid is de verdamping .... en de turgor van het gewas relatief .....

 

Naast turgor heb je in een plant ook te maken met osmose.

Leg in je eigen woorden uit wat osmose is en wat het nut is van osmose.
Turgor hangt samen met osmose. Leg uit hoe dit werkt.

 

 

 

9. Opdracht: Test je kennis

Weet je genoeg van biologie en fysiologie in de bollenteelt? Klik in het linkermenu op Webquiz en test jezelf. Als je antwoorden fout zijn, klik dan op Tip en zoek op de website tot je het goede antwoord hebt.

 

 

10. Opdracht: Wat heb je geleerd?

Welke kennis en vaardigheden heb je geleerd in bovenstaande opdrachten? Kruis aan en vul verder aan op je antwoordvel:

0 informatie zoeken op internet

0 rapporteren en presenteren

0 samenwerken

0 kritisch lezen

0 ....................................................

0 ....................................................