WebQuiz Bollenteelt - Biologie in de bollenteelt (niveau 3/4) - Test je kennis

 

Weet je voldoende van fysiologie en gewasgroei in de bollenteelt? Er is hierover heel veel informatie op internet.

Beantwoord onderstaande vragen en test je kennis.

 

 

 

1. Noem vegetatieve en generatieve organen van een plant.

  Vegetatieve: bladeren, stengels, wortels. Generatieve: bloemen, vruchten, zaad.
  Vegetatieve: bladeren, stengels. Generatieve: bloemen, vruchten, zaad, wortels.
  Vegetatieve: bladeren, stengels, wortels, vruchten. Generatieve: bloemen, zaad.

 

2. Wat is de Turgor?

  Turgor is het verplaatsen van van water en voedingsstoffen via de bastvaten naar de bladeren
  Turgor is het uitzetten van de celwand door overdruk
  Turgor is de druk van de celinhoud op de celwand en zorgt voor stevigheid van de plant

 

3. Wat is een belangrijk kenmerk van een tweeslachtige plant?

  De bloem heeft zowel kroonbladeren als kelkbladeren
  De bloem bezit zowel stamper als meeldraden
  De bloem heeft zowel mannelijk als vrouwelijk stuifmeel

 

4. Bollen worden regelmatig vermeerderd door middel van meristeemcultuur. Wat houdt dat in?

  Het minieme groeipuntje van een bol wordt op medium gezet en groeit uiteindelijk uit tot een nieuwe plant.
  Bollen worden op water gezet dat continu wordt verwarmd tot 20 graden celcius waardoor de bollen snel uitgroeien.
  De zaden van de bollen worden uit de zaaddozen gehaald, waarna deze doormiddel van weefselkweek worden vermeerderd.

 

5. Veel populaire bloembollen zijn geen echte bollen, maar knollen. Geef bij de volgende 'bollen' aan wat het zijn.

Narcis   Dahlia Sneeuwklokje

  Narcis is een bol, Sneeuwklokje en Dahlia zijn knollen
  Narcis is een bol, Sneeuwklokje is een knol, Dahlia is een bol
  Narcis en Sneeuwklokje zijn bollen, Dahlia is een knol
  Narcis en Sneeuwklokje zijn knollen, Dahlia is een bol

 

6. Wat is de functie van fotosynthese bij de plant?

  De plant zet onder invloed van licht koolstofdioxide en water om in glucose en zuurstof. De glucose wordt gebruikt voor de groei van de plant.
  De plant maakt uit meststoffen glucose en koolstofdioxide. De meststoffen worden gebruikt bij de toename van bladgroen in de plant.
  De plant zet glucose en koolstofdioxide om in zuurstof en water. Dit wordt gebruikt voor de verdamping zodat de plant kan groeien.

 

7. Gibberelline is een groeihormoon. Als het gehalte aan gibberelline in een plant erg laag is, wat gebeurt er dan?

  De plant wordt extra groot, omdat er teveel celdeling plaatsvindt.
  De plant blijft klein, omdat er geen celdeling plaatsvindt.
  De plant blijft klein, omdat er geen celstrekking plaatsvindt.

 

8. Niet alle bollen zijn winterhard. Welke uitspraak is juist?

  De meeste voorjaarsbloeiende en zomerbloeiende bollen bollen zijn wel winterhard.
  Voorjaarsbloeiende bollen zijn wel winterhard, de meeste zomerbloeiende bollen zijn niet winterhard
  Voorjaarsbloeiende bollen zijn niet winterhard, de meeste zomerbloeiende bollen zijn wel winterhard

 

9. De code 6 CO2 + 6 H2O = C6H12O6 + 6 O2 staat voor:

  Modificatie
  Dissimilatie
  Assimilatie

 

10. Wat is het verschil tussen het fenotype en het genotype van een plant?

  Het fenotype heeft te maken met uiterlijk, het genotype met erfelijke eigenschappen
  Het genotype heeft te maken met erfelijke eigenschappen, het fenotype met eigenschappen die niet kunnen worden geërfd
  Het genotype heeft te maken met uiterlijk, het fenotype met erfelijke eigenschappen

 

11. Wat is het verschil tussen assimilatie en fotosynthese?

  Dat is er niet, assimilatie en fotosynthese betekenen hetzelfde
  Bij fotosynthese worden suikers geproduceerd door de plant, bij assimilatie worden deze verbrand voor de groei
  Bij fotosynthese wordt CO2 gebruikt voor de productie van suikers, bij assimilatie wordt O2 gebruikt

 

12. Welke van onderstaande beweringen is waar?

  1. Zowel planten- als dierencellen hebben een celkern en een celmembraan
  2. Alleen plantencellen hebben bladgroenkorrels en een celwand
  1 en 2 zijn beiden niet waar
  1 is waar, 2 is niet waar
  1 en 2 zijn beiden waar

 

13. Bij een tweehuizige bloem ...

  hebben de bloemen elk een stamper én meeldraden.
  heeft de plant eenslachtige bloemen die óf meeldraden hebben of een stamper.
  kan geen kruisbevruchting optreden.

 

14. In welke groepen zijn bloembollen te verdelen?

  Winterbloeiende en voorjaarsbloeiende
  Voorjaars/zomerbloeiende en herfstbloeiende
  Voorjaarsbloeiende en zomerbloeiende

 

15. Naast assimilatie kent men ook dissimilatie bij een plant. Wat is dissimilatie?

  Dat is de ademhaling van de plant
  Dat is het ontwikkelen van bloemknoppen bij een plant
  Dat is het omzetten van water en koolzuur naar glucose